header image
Home arrow Diensten arrow Ri&e arrow Risico-inventarisatie
Risico-inventarisatie
Iedere werkgever is verplicht om in zijn bedrijf of inrichting een arbobeleid te voeren dat gericht is op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden (Artikel 3 van de wet). Daarvoor moet de werkgever vanzelfsprekend een goed inzicht hebben in alle risico's die zich in zijn bedrijf kunnen voordoen, zodat prioriteiten kunnen worden gesteld en planmatig kan worden gewerkt aan structurele oplossingen voor gesignaleerde problemen.

Arbo-advies Jannink & Waaijer kan u van dienst zijn bij het opstellen van een risico-inventarisatie en -evaluatie en u adviseren bij het maken van een plan van aanpak. U heeft daar vanaf 1 juli 2005 géén Arbodienst meer voor nodig. Wél moet (afhankelijk van de grootte van uw bedrijf) een toets worden uitgevoerd door een gecertificeerd deskundige. Daar kunnen wij ook voor zorgen. Wat zeker is dat u bij ons een stuk goedkoper uit bent dan bij een arbo-dienst. Om een idee te geven. Een groot bedrijf liet bij een afdeling met circa 50 werknemers (die zich voornamelijk met controlewerkzaamheden bezig houden) een ri&e uitvoeren door een externe arbo-dienst en kregen daar een rekening van €30.000 voor gepresenteerd. Dat zijn enorme bedragen. Bij ons bent u in ieder geval een stuk goedkoper uit.

Om u een indruk te geven welke eisen de wetgever aan u stelt, vindt u hieronder de nodige informatie.

De omvang en de inhoud van de risico-inventarisatie en -evaluatie zal van bedrijf tot bedrijf verschillen. Zo zal in de risico-inventarisatie en -evaluatie van een chemisch bedrijf veel aandacht besteed moeten worden aan de gevaren die verbonden zijn aan het werken met gevaarlijke stoffen. Met welke stoffen wordt gewerkt, wat zijn de gevaren van die stoffen, hoeveel werknemers bij welke afdelingen worden aan die stoffen blootgesteld en in welke mate? In de inventarisatie en -evaluatie van een bouwbedrijf daarentegen zal de aandacht veel meer gericht moeten zijn op bijvoorbeeld de gevaren verbonden aan het gebruik van machines en aan fysiek zware arbeid.
Ook de omvang van de risico-inventarisatie en evaluatie zal van bedrijf tot bedrijf verschillen. Zo zal voor een klein kantoor veelal kunnen worden volstaan met enkele pagina's, terwijl voor een groot industrieel bedrijf een omvangrijk rapport zal moeten worden opgesteld.

In het Arbobesluit zijn voor een aantal deelonderwerpen nadere specifieke inventarisatie- en evaluatievoorschriften gegeven voor het in dat voorschrift omschreven gevaar:
  • Jeugdigen (art. 1.36);
  • zwangere werkneemsters (art. 1.41);
  • gevaarlijke stoffen in het algemeen (art. 4.2);
  • kankerverwekkende stoffen (artt. 4.13 en 4.14);
  • asbest (art. 4.50);
  • lood (art. 4.67);
  • biologische agentia (art. 4.85);
  • thuiswerk met gevaarlijke stoffen (art. 4.111);
  • fysieke belasting (art. 5.3);
  • beeldschermwerk (art. 5.9);
  • geluid (art. 6.7);
  • persoonlijke beschermingsmiddelen (art. 8.2).

De hierboven bedoelde bepalingen geven slechts inventarisatie- en evaluatievoorschriften ten aanzien van de bijzondere gevaren verbonden aan een aantal deelonderwerpen en zijn daarom aanvullend op de voorschriften van artikel 5 die immers betrekking hebben op alle gevaren die zich bij de arbeid voordoen.
Een bijzondere vorm van inventarisatie en evaluatie is de regeling ter voorkoming en beperking van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken.
Risico-evaluatie Het arbeidsomstandighedenbeleid moet gebaseerd zijn op een goed inzicht in de risico's die zich bij de arbeid voordoen. Een risico is de kans dat een bepaald gevaar optreedt met een schadelijk effect voor de veiligheid of de gezondheid. Een risico-inventarisatie en -evaluatie omvat daarom een inventarisatie van de gevaren die zich kunnen voordoen en een evaluatie van de risico's, dat is een schatting van de kans dat het gevaar optreedt - in aanmerking genomen de beperkende maatregelen die al zijn getroffen.

Evaluatie van de risico's
In de risico-inventarisatie en -evaluatie moet een beschrijving worden opgenomen van de gevaren die onlosmakelijk verbonden zijn aan de aard van de werkzaamheden en de risicobeperkende maatregelen.
Onder de bedoelde gevaren worden begrepen de gevaren die worden veroorzaakt door onder meer:
  • de werktuigen, machines en toestellen;
  • de stoffen of preparaten waarmee wordt gewerkt;
  • andere hulpmiddelen bij de arbeid;
  • de inrichting van de arbeidsplaats.

Omdat een zelfde situatie niet voor iedereen dezelfde risico's met zich brengt is bepaald dat aandacht moet worden besteed aan de bijzondere categorieën werknemers. In de risico-inventarisatie en -evaluatie moet daarom ook aandacht worden besteed aan de (extra) gevaren voor bijzondere categorieën werknemers. Hiermee wordt gedoeld op de bijzondere gevaren die bestaan voor met name zwangeren, ouderen, jeugdigen en gehandicapten.

Bepalingen voor speciale groepen
In het Arbobesluit zijn voor thuiswerkers, werknemers die jonger dan 18 jaar zijn, zwangere werkneemsters en werkneemsters tijdens de lactatie extra voorschriften opgenomen. Ook andere groepen werknemers als vakantiewerkers, werknemers met een flexibele arbeidsrelatie (met een tijdelijk contract, uitzendkrachten, oproep- of invalkrachten) en personen met een deeltijdbaan van minder dan 20 uur kunnen als kwetsbare werknemers, worden gekwalificeerd.

Ri&e voor kleinere bedrijven.
Gegeven een zekere tijd die gemoeid is met het opstellen van en het adviseren over een risico-inventarisatie en -evaluatie, zijn voor kleinere bedrijven de kosten per werknemer snel hoger. Daarom is het tot stand komen in de praktijk van branche- of risicospecifieke systemen voor het opstellen van risico-inventarisaties en -evaluaties, waarmee de werkgever zelf een groot deel van het werk kan verrichten, van groot belang voor het praktisch hanteerbaar en doelmatig maken van de inventarisatie- en evaluatieverplichting voor kleinere bedrijven.

In de Arboregeling artikel 2.24 is een vrijstellingsregeling (die voorlopig geldt tot 1 januari 2005) opgenomen voor werkgevers die ten hoogste 40 uur werk laten verrichten. Deze werkgevers zijn vrijgesteld van de verplichting zich bij de risico-inventarisatie en -evaluaties te laten ondersteunen door een arbodienst. Het maken van een schriftelijke inventarisatie en -evaluatie is wel verplicht. Er is een checklist ontwikkeld en beschikbaar (gratis verkrijgbaar via de Informatietelefoon van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, tel. 0800-9051), waarmee deze werkgevers aan hun inventarisatie- en evaluatieverplichting kunnen voldoen. Deze vrijstellingsregeling geldt ook voor vrijwilligersorganisaties, waarvoor eveneens een specifiek instrument is ontwikkeld, waarmee deze organisaties zelf de inventarisatie en evaluatie kunnen uitvoeren. meer info: http://www.rie.nl

Ongevallenregistratie
De werkgever is in het kader van de inventarisatie en evaluatie van risico's ook verplicht die arbeidsongevallen te registreren welke hebben geleid tot een ziekteverzuim (zie artikel 1, derde lid, onder i, voor de definitie hiervan). De vorm van deze registratie is vrijgelaten.
Met deze registratie wordt beoogd dat uit ongevallen die zich hebben voorgedaan, lessen worden getrokken voor het arbeidsomstandighedenbeleid. Aldus wordt ook de arbodienst, in casu de veiligheidskundige, betrokken bij de verwerking van ervaringen van ongevallen. Hetzelfde geldt, hoewel niet expliciet voorgeschreven, mutatis mutandis natuurlijk ook voor beroepsziekten. Ook de ziekteverzuimcijfers zijn belangrijke indicatoren voor de gevaren die zich in een bedrijf voordoen.br /> Plan van aanpak
In het plan van aanpak wordt aangegeven welke maatregelen zullen worden genomen in verband met de voorkomende risico's. Teneinde te voorkomen dat deze maatregelen te lange tijd uitgesteld kunnen worden, is bepaald dat ook aangegeven moet worden binnen welke termijn de maatregelen moeten worden genomen.
Het plan van aanpak wordt gezien als een onderdeel van de risico-inventarisatie en -evaluatie. Dit betekent dat ook het plan van aanpak een schriftelijk stuk is.
De werkgever moet bij het opstellen van dit plan van aanpak de grondbeginselen van artikel 3 in acht nemen. De belangrijkste daarvan is dat de gevaren volgens de in dat artikel voorgeschreven arbeidshygiënische strategie allereerst en bij voorkeur bij de bron moeten worden aangepakt.
De risico-inventarisatie en -evaluatie kan effectiever en goedkoper worden uitgevoerd indien gebruik wordt gemaakt van branchesystemen. Wanneer het gebruikte systeem de volledigheid garandeert, kan de concrete ri&e voor een afzonderlijk bedrijf veel beknopter zijn en directer gericht op de problemen die zich in het specifieke bedrijf voordoen en op de gerichte maatregelen om deze op te lossen.

Instemmingsrecht
De ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging heeft op grond van de Wet op de ondernemingsraden instemmingsrecht met betrekking tot de risico-inventarisatie en -evaluatie en het daartoe behorende plan van aanpak Bij het ontbreken van een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging hebben de belanghebbende werknemers adviesrecht (artikel 35b van de WOR).
Jaarlijkse rapportage br /> Over het plan van aanpak moet jaarlijks worden gerapporteerd en over de (concept)rapportage moet vooraf overleg worden gevoerd. Het begrip 'rapportage' impliceert niet steeds dat dit een apart schriftelijk verslag betreft. Het is in kleine bedrijven namelijk goed voorstelbaar dat de rapportage mondeling aan de orde komt tijdens het overleg met bijvoorbeeld belanghebbende werknemers. De term schriftelijk betekent in dit verband dat, afhankelijk van het belang van de problematiek en de gangbare praktijk in het bedrijf, ook volstaan kan worden met bijvoorbeeld de notulen van het overleg over de voortgang van het plan van aanpak. Onderdeel van het overleg betreft tevens de vraag of de risico-inventarisatie en -evaluatie nog actueel is.

Ri&e moet actueel zijn
Vanaf het moment dat een deugdelijke risico-inventarisatie en -evaluatie is vastgesteld, moet de werkgever geregeld bezien of deze risco-inventarisatie en -evaluatie en het daarop gebaseerde arbobeleid moeten worden aangepast. Gezien de dynamiek van een bedrijf en de vooruitgang in de wetenschap en de techniek moeten de risico-inventarisatie en -evaluatie en het arbobeleid niet een statisch karakter krijgen.
Hoewel dit behoort tot het wezen van het goed organiseren van de werkzaamheden, werd door de wetgever een afzonderlijke bepaling van die strekking in de wet onmisbaar geacht.

De risico-inventarisatie en -evaluatie, inclusief het plan van aanpak, (en het arbobeleid) moeten in ieder geval worden aangepast indien:
  • de daarmee opgedane ervaringen daartoe aanleiding geven (bijvoorbeeld wanneer een geplande arbeidsbeschermende maatregel niet het gewenste resultaat blijkt te hebben);
  • de werkmethoden veranderen (bijvoorbeeld een verandering van het productieproces of de aanschaf van nieuwe machines);
  • de werkomstandigheden veranderen (bijvoorbeeld een nieuwe huisvesting of afzuiginrichting);
  • de stand der techniek verbeterd is (bijvoorbeeld de verkrijgbaarheid van nieuwe machines die minder lawaai veroorzaken, of machines die beter beveiligd zijn tegen knel- of pletgevaar);
  • er zich belangrijke veranderingen voordoen op het gebied van de stand van de wetenschap of professionele dienstverlening (bijvoorbeeld een recent bekend geworden wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat een bepaalde stof waarmee gewerkt wordt kankerverwekkend is). Gezien het belang van de risico-inventarisatie en -evaluatie voor de gehele organisatie is bepaald dat iedere werknemer van dit document kennis moet kunnen nemen (evenals van iedere wijziging daarin).

De werkgever kan dit op vele manieren doen. De tekst van de risico-inventarisatie en -evaluatie (en wijzigingen daarin) kan worden opgenomen in het personeelsblad, een exemplaar kan ook ter inzage worden gelegd of op publicatieborden worden opgehangen. De werkgever is niet verplicht een exemplaar aan iedere werknemer toe te zenden. Hij mag dat uiteraard wel doen.
Ook de arbodienst zal uiteraard over de risico-inventarisatie en -evaluatie moeten kunnen beschikken om haar taak goed te kunnen vervullen (het verlenen van medewerking aan het verrichten en opstellen van een risico-inventarisatie en -evaluatie waaronder begrepen het toetsen ervan en het adviseren daaromtrent, artikel 14, derde lid, onderdeel a).

Uitzendkrachten
Ter uitvoering van de Richtlijn a-typische arbeidsrelaties nr. 91/383/EG is in het Zesde lid bepaald dat de 'inlenende' werkgever een beschrijving van de risico-inventarisatie en -evaluatie tijdig verstrekt aan de 'uitlenende' werkgever die hem doorgeeft aan de werknemer.
Blijkens de tekst van dit artikellid moet niet de gehele risico-inventarisatie en -evaluatie worden verstrekt. Dit zou administratief belastend zijn in het geval dat de risico-inventarisatie en -evaluatie erg omvangrijk is en lijkt ook niet effectief wanneer de uitzendkracht niet wordt gewezen op het specifieke deel van de inventarisatie en evaluatie waar de kenmerken voor zijn arbeidsplaats staan aangegeven. Voldoende is dat een onderdeel van de risico-inventarisatie en -evaluatie wordt verstrekt, namelijk de beschrijving van de gevaren en risico beperkend maatregelen en van de risico's voor de werknemer op de in te nemen arbeidsplaats.
Een redelijke uitleg van deze bepaling brengt met zich dat de Arbeidsinspectie waarschijnlijk ook genoegen zal nemen met het aan de potentiële uitzendkracht verstrekken van dat deel van de inventarisatie en evaluatie dat op de uit te oefenen functie betrekking heeft.
De uitzendkracht is degene die aan de werkgever ter beschikking wordt gesteld om voor die werkgever arbeid te verrichten. Het uitzendbureau is degene die de werknemer aan een werkgever ter beschikking stelt.
Het uitzendbureau dient deze beschrijving die van de werkgever verkregen is, door te geleiden naar de uitzendkracht. Het is vanzelfsprekend niet de bedoeling dat de uitzendkracht de beschrijving pas te zien krijgt op het moment dat hij al met zijn werk is begonnen. Vandaar dat in het zesde lid is voorgeschreven dat de beschrijving en evaluatie tijdig voor de aanvang van de werkzaamheden van de uitzendkracht aan het uitzendbureau ter beschikking moet worden gesteld, zodat het uitzendbureau de beschrijving aan de uitzendkracht kan laten zien, voordat de uitzendkracht de beslissing neemt om bij een bepaald bedrijf te gaan werken.

 
Volgende >
Arbocatalogus pas voor eenderde van werknemers klaar
dinsdag, 13 oktober 2009 15:06
Voor maar 33 procent van de werknemers is een arbocatalogus klaar. In verband daarmee heeft minister Donner besloten dat de geplande vervaldatum van de bestaande arbobeleidsregels wordt uitgesteld. Er zijn pas 57 arbocatalogi goedgekeurd.

Sinds de invoering van de nieuwe Arbeidsomstandighedenwet in 2007 kunnen werkgevers en vakbonden in een arbocatalogus meer zelf bepalen hoe er veilig gewerkt wordt in een sector. Daarvoor stellen ze in overleg met elkaar een arbocatalogus op waarin oplossingen worden vastgelegd die bekende arboproblemen in de sector aanpakken. Nadat de catalogus klaar is wordt door de Arbeidsinspectie een beperkte toets gehouden. Nadat de catalogus in de Staatscourant is verschenen wordt deze voor de sector verplicht en komen voor die sector de arbobeleidsregels te vervallen. Voor nog zo’n 50 sectoren liggen op plank voor toetsing. Naar verwachting zullen er in het totaal zo’n 250 arbocatalogi moeten komen.

Uitstel
Omdat er nog maar zo beperkt aantal catalogi in gebruik is stelt de minister de voorgenomen afschaffing op 1-1-2010 van de arbobeleidsregels uit. Eén van zijn argumenten is dat het anders voor de Arbeidsinspectie ondoenlijk wordt om in verschillende sectoren inspecties uit te voeren. Indien een arbocatalogus voor een sector is vastgesteld is dat het bindend kader waarlangs de Arbeidsinspectie de naleving regels voor de arbeidsomstandigheden controleert. Voor die sectoren waarvoor nog geen catalogus is vastgesteld blijven voorlopig de bestaande arbobeleidsregels van toepassing, ook na 1-1-2010.   Voor een overzicht van de goedgekeurde arbocatalogi: klik hier